Echte wielrenners zitten op de EHBO

Echte wielrenners zitten op de EHBO

Het is zondagochtend als ik besluit (voor mijn doen) al vroeg op de fiets te springen. Het wordt bloedheet vandaag en ik moet nog wat wasjes doen, kattenbakgrind en kattengras kopen, de kattenbak verschonen en m’n opdracht voor een cijfer afronden. Via een vriend heb ik een leuke route doorgekregen: 66 km langs Haarlem, Badhoevedorp en Spaarndam. Ik ben toe aan een nieuw rondje dus zo gezegd, zo gedaan. Snel vast de eerste was in de machine doen en dan op de fiets springen.

Ik zit op de fiets als ik me al snel bedenk dat 66km ruim twee keer zo ver is als ik tot nu had gefietst. Maar m’n fietsende vrienden doen met gemak 90-150 km op een dag, dus hé wat is nou 66km. Als een geoefende fietser met gemak zo’n 120km op een dag rijdt, moet ik als beginner na een maand toch best 66km kunnen fietsen? Ik vraag me de hele weg af wat ik eigenlijk aan het doen ben. Ik vind 66km eigenlijk te ver. “Maar zover is het echt niet” zeg ik tegen mezelf. Echte wielrenners doen dit als warming up. Volgens route.nl kost het tourfietsers zo’n 4 uur om de route te rijden. Maar dat is bejaardentempo, ik ga sneeeelllll. Dus met zo’n 21 km p/u gemiddeld moet een tijd van ongeveer 3 uur te doen zijn. Ik forceer mezelf om minder na te denken en vooral van het landschap te genieten en sta stil om bij de eerste molen een foto te maken:

Het is een mooie route die me langs Schiphol brengt. Ik ben dol op vliegtuigen. Ik sta pal in het verlengde van de Polderbaan als er net een 747 gaat opstijgen. De 747 vind ik het mooiste vliegtuig ooit gemaakt, dat-ie al bijna 50 jaar oud is mag de pret niet drukken. Als het toestel recht boven me hangt en ik een foto maak, duizelt de wereld bijna. Gáááf…..

Maar niet veel later maak ik me weer druk. Om m’n gemiddelde snelheid bijvoorbeeld. Om bij een vrouwengroep in Haarlem aan te kunnen sluiten moet ik minimaal 25 km/uur gemiddeld kunnen fietsen. Geen idee of ik dat kan. Ik ben nog geen echte wielrenner dus vast niet. En weer zit ik met die afstand, is 66km niet veel te ver? Zal ik anders een stuk afsnijden straks? Ik vind mezelf een watje als ik dat doe, maar tegelijkertijd vind ik 66km wel echt nog te ver. Echt genieten kan ik niet van de tour, ik maak me veel te druk.

Na 30km ben ik ook wel toe aan een tussenstop. Echte wielrenners eten dan appeltaart met slagroom dus dat ga ik ook doen. Maar ik zie nergens een plekje waar ik even kan genieten van het zonnnetje. En als ik wel een plekje zie, raas ik toch maar door want anders ben ik nooit op tijd thuis om alles te doen wat ik nog moet doen. Ik kan wat dat betreft beter de route inkorten, maar blijf mezelf een watje vinden, een echte wielrenner rijdt het rondje gewoon uit. Toch besluit ik om naar m’n benen te luisteren en niet nog eens om Haarlem heen te fietsen, maar er dwars doorheen. En ik sta mezelf toe om ook langs het Spaarne even een kopje koffie met appeltaart te doen. Ik ben dan wel nog geen echte wielrenner, ik vind dat ik ook met 45 km (want daar zal ik op uitkomen) toch een appeltaartje verdiend heb.

 

Ik twijfel na het taartje nog even of ik niet alsnog zal fietsen naar het punt waar ik de route weer op kan pakken, maar besluit toch terug naar huis te gaan. Op de laatste lange weg trek ik nog even een sprintje, maar ben eigenlijk te moe en minder weer vaart. Nog een paar rotondes en dan ben ik thuis.

Maar dan gaat het mis. M’n wiel lijkt weg te slippen en ik duikel voorover. Holy f*ck denk ik. Ik kom hard neer op het asfalt met de fiets boven op me en het stuur in m’n kruis. Ik wil me onder m’n fiets vandaan wurmen maar m’n linkerarm heeft geen kracht. Als een toeschouwer vraagt of het gaat, kan ik niet anders dan ‘neeeeee’ uitkermen. De man trekt een sprintje en helpt me overeind. Er komen nog twee lieve meiden langs die me ook helpen en iemand voor me willen bellen. Ik geef ze m’n telefoon en mompel wat namen. Ik ben een beetje van dewereld en krijg vragen als ‘welke dag is het vandaag? en ‘zullen we anders een ambulance bellen?’. Nee, nee, nee, geen ambulance bellen, het is niet alsof ik hier dood aan het gaan ben. Hé, daar komt de buurvrouw al aangereden. Fijn. Ik heb de liefste buurvrouw van de hele wereld. We gooien m’n fiets in de auto (nou ja, de buuf legt voorzichtig m’n fiets in haar auto) en gaan naar huis. Maar als ik m’n gordel om wil doen kerm ik het weer uit van de pijn. “Toch maar even langs de Eerste Hulp?” oppert de buuf. Ik knik.

Ik vind het mega gênant. Loop ik daar in m’n fietskloffie op de eerste hulp. “Daar heb je er weer zo’n wielrenner” zullen ze wel denken.  Ik word in een rolstoel gezet omdat ze bang zijn dat ik flauwval. “Aanstellers”, denk ik bij mezelf, het is echt niet alsof ik flauw ga vallen ofzo. Omdat ik blijkbaar nogal zit te kermen krijg ik ook meteen wat paracetamolletjes waardoor ik na een uurtje in staat ben om een lachende selfie te maken:

Na 3 uur (ach, het is niet alsof ik nog wat dingen wilde doen vandaag) verlaat ik het ziekenhuis met wat röntgenfoto’s van m’n schouder (niets gebroken gelukkig) een mitella en een bemoedigende boodschap van de dokter: “pas als je de EHBO hebt gezien ben je een echte wielrenner!” Ik forceer een klein lachje. Dus dát is het geheim om een echte wielrenner te zijn…

 

 

Related posts:

Wat vind je van deze post?